Vijf dagen op de racefiets dwars door de Franse Alpen klinkt natuurlijk geweldig, en dat is het ook, maar onderweg voelt dat niet ieder moment zo. Op dag twee, als je in de hitte op de Cormet de Roselend zit te ploeteren, of op dag vier merkt dat de benen op Alpe d’Huez niet echt meewerken, vraag je jezelf ook wel even af waarom je dit soort plannen eigenlijk zo leuk vindt. Meestal duurt dat overigens niet zo lang, want even later is er weer een mooi uitzicht, een mooi gesprek met andere fietsers, een waterval, een koude waterbron of kom je boven op een col die al jaren op je bucketlist staat.

In de zomer van 2026 fietste ik vijf dagen door de Alpen om een deel van mijn lijstje ‘Nog te beklimmen bergen’ eindelijk eens af te strepen, maar ook om onze Alpenreis voor 2027 te verkennen. De bedoeling was simpel: routes controleren, hotels bekijken en vooral ervaren of de bergen in de praktijk net zo leuk zijn als wanneer je ze thuis in de Tour op televisie langs ziet komen. Ik koos ervoor om zelf te ervaren wat het beklimmen van een Alpencol betekent voor een gemiddelde amateurfietser zoals ik. De profielen van MyCols of Climbfinder geven een indicatie, maar niet zelden voelen cols makkelijker of soms moeilijker dan het profiel aangeeft. Hoe mooi de col of de weg ernaartoe er op papier ook uitziet, pas als je er zelf rijdt weet je of het te doen is.

Ik reisde met een zadeltas met daarin ongeveer acht kilo bagage en een stuurtasje vol met de reepjes die ik gewend ben. Dit bikepacking-lightprincipe heb ik al eens eerder ervaren toen ik La Pedalata reed. Ook nu was dit weer een uitstekende keuze. Hoewel ik achteraf gezien best nog wat gewicht had kunnen besparen door een extra shirt thuis te laten en wat andere niet-noodzakelijke accessoires weg te laten. Het voordeel van deze vorm van bikepacking is dat je ’s avonds wel gewoon overnacht in een hotel, met douche en fatsoenlijk eten. Ook om te testen natuurlijk ;-).

Dag 1. Rustig beginnen vanuit Annecy

Na anderhalve dag autorijden richting de Alpen was het vooral tijd om de benen weer even te laten wennen aan een andere beweging dan alleen de rechtervoet op het gaspedaal. Familie uitgezwaaid, schoenen vastgeklikt en op pad. Ik had bewust geen zware eerste etappe gepland, want na zoveel uren in de auto heeft het weinig zin om meteen een halve bergetappe uit de Tour te fietsen. In Annecy was het druk met veel toeristen die van het meer en het mooie weer genoten. Zo kom je wel direct in vakantiemodus. Rustig langs peddelen, vriendelijk groeten en je niet druk maken om wandelaars op het fietspad. Eigenlijk best een lekker begin.

Vanuit Annecy nam ik de Col de Bluffy. Geen col die in de Tour een belletje doet rinkelen. Wel een lekkere opwarmer richting het Alpenlandschap dat erachter ligt. Daarna de beklimming richting Saint-Jean-de-Sixt. Niet extreem zwaar, maar genoeg om de benen duidelijk te maken dat het vanaf nu om Alpenkilometers ging. Hoe verder je wegrijdt van Annecy, hoe rustiger het ook wordt.

Met 38 kilometer een prima eerste dag. Ik vind het zelf altijd prettig om even in te fietsen voordat je de echte inspanningen onder de wielen krijgt. Zo doen we dat ook bewust tijdens onze reizen. Even inkomen en ‘landen’ in de mooie omgeving waarin we fietsen. Enkele uurtjes later rol ik La Clusaz binnen voor mijn hotelovernachting. Ik ken dit dorp vanuit de winter en ik ben verbaasd dat het ook in de zomerperiode zo’n gezellige drukte is. Het dorp is dan ook wel echt authentiek, met mooie houten chalets, en het sportieve karakter van de gasten maakt dit een prettige eerste overnachtingsplek. Hier voel ik me wel thuis.

Dag 2. Mont Blanc op de achtergrond

Na een heerlijke nachtrust en het ervaren van een ongekende stilte is het na het ontbijt weer tijd om de zadeltas op te binden. De etappe van vandaag is meteen andere koek. Het is warm, er staan flink wat hoogtemeters op het programma en het landschap wordt gaandeweg steeds indrukwekkender. Tijdens een groot deel van de rit is de Mont Blanc ergens op de achtergrond aanwezig. Soms duidelijk zichtbaar, soms wat verder weg, maar vaak precies genoeg om af en toe even op te kijken. Pas als je hier fietst, zie je hoe groot en hoog de Mont Blanc is ten opzichte van de rest.

De eerste beklimmingen gaan verrassend goed. De Col des Aravis is een mooie loper in een landschap dat zich steeds meer opent. Daarna volgen de Côte de la Frassette en de Col des Saisies. Ook niet echt lastig. Boven op de Col des Saisies rijd je door een modern skioord, speciaal gebouwd voor de wintersport. Niet de mooiste plek, maar ook hier stralen het dorp en zijn gasten buitenleven uit. Dat bevalt me goed. Ook mijn benen voelen nog goed aan. Afdalen naar Beaufort om van daaruit de Cormet de Roselend te beklimmen. Vaak aangeduid als een van de mooiste beklimmingen uit de regio en regelmatig opgenomen in de Tour.

Achteraf noem ik deze ‘Col de Worstelend’. Hoewel hij op papier niet al te moeilijk is, met ruim 20 kilometer à 6,6 procent gemiddeld, worstel ik mij omhoog. Vergezeld door een aantal Belgen, Fransen, Duitsers en natuurlijk wat Nederlanders die hetzelfde ervaren. Gedeelde smart, zal ik maar zeggen. Bij het stuwmeer plof ik even op het terras voor een korte colabreak. Broodnodig. Nog enkele kilometers naar de top. Wat opvalt, is dat deze klim qua auto- en motorverkeer heerlijk rustig is. In relatieve rust klim je via een mooie weg door de bossen omhoog naar het stuwmeer. Met het stuwmeer aan je rechterzijde en een open alpien landschap klim je de laatste vijf kilometer naar de top. Dat gaat na de cola en wat reepjes een stuk makkelijker. Toch weer eentje afgestreept van mijn lijstje. Van tevoren keek ik eigenlijk het meeste uit naar deze beklimming, omdat deze door iedereen als heel mooi wordt ervaren. Zelf vind ik de klim mooi, achteraf gezien, maar in deze route blijken later nog mooiere beklimmingen te zitten.

De afdaling naar Bourg-Saint-Maurice, mijn volgende overnachtingsplaats, is prachtig. Soms technisch, maar ook met spectaculaire uitzichten richting de Vallée des Glaciers. Ik stop met regelmaat en daal bewust langzaam om het landschap in me op te nemen. Het is hier prachtig.

Dag 3. Eindelijk de Col de l’Iseran

Dag drie begint vroeg. Rond kwart over zes zit ik al aan het ontbijt. En ik ben niet de enige. Hiervandaan starten velen vroeg voor wandeltochten richting de pieken. Thuis is het rond 6.15 uur nog vaak stil, laat staan dat ik zelf op dat tijdstip opsta om te gaan ontbijten. Ik kijk al jaren uit naar deze dag: de beklimming van de Col de l’Iseran. Zelf werkte ik drie jaar als chalethost in Tignes en skiede op een vrije dag vaak richting de Col de l’Iseran. Deze hoogstgelegen begaanbare pas van de Franse Alpen, op 2.770 meter hoogte, en de warme winterherinneringen die eraan kleven, moest worden afgevinkt.

Vanuit Bourg-Saint-Maurice is het ongeveer 45 kilometer omhoog richting de top. Niet 45 kilometer onafgebroken steil, maar wel heel lang hoogte winnen. Juist dat maakt de klim bijzonder, omdat het landschap onderweg steeds verandert. Eerst nog relatief groen en bewoond, later steeds kaler en ruiger, totdat je echt het gevoel hebt dat je in het hooggebergte rijdt. Bij Tignes werp ik vlak voor de dam nog even een blik naar beneden, naar het dorp waar we drie winters lang verbleven. Ik zie in de diepte ons chalet bij de brug in het dorp liggen. Een merkwaardige rust in vergelijking met de winters. Het stuwmeer bij Tignes staat laag, maar net niet laag genoeg om het oude verzonken dorp weer zichtbaar te maken. Op naar Val d’Isère voor een broodje, koffie en een laatste waterstop.

Nog 16 kilometer klimmen naar de top. Veel profploegen snellen mij voorbij. Dit is de plek voor hoogtestages in de zomer. Zo heb ik een flyby met Demi Vollering, die met haar team als een malle afdaalt richting Tignes en in voorbereiding is op de Tour de France Femmes. Ik denk niet dat ze mijn aanmoediging heeft gehoord. De klim stelt niet teleur. Het is lang, mooi en een trip down memory lane. Langzaam kruip je omhoog en zie je de dorpen onder je steeds kleiner worden. De klim valt me mee; ik had hem zwaarder ingeschat. Hoewel je al boven de 2.000 meter fietst, vond ik de Stelvio, die ook op hoogte ligt, een stuk zwaarder. Onderweg kom ik wat marmotten tegen en tuur ik naar de bergwand op zoek naar gemzen. Eenmaal op de top schuil ik achter de auberge. Het is mooi weer, maar er blaast een stevige wind, kracht vijf à zes schat ik zo. Na wat foto’s begin ik aan de prachtige afdaling. Door de wind moet ik stevig bijtrappen om nog wat snelheid te houden. De tocht door het dal valt me ook tegen: tegenwind terwijl de weg vals plat omlaag gaat. Het landschap is wel prachtig overigens en qua verkeer heerlijk rustig. Op naar mijn hotel… althans, dat dacht ik.

 

Aan het einde van de dag blijkt mijn hotelreservering niet goed te zijn doorgekomen. Dan kun je balen, of je besluit gewoon nog even verder te fietsen naar Valloire. Ik kies voor dat laatste. Alleen ligt daar nog wel een klein obstakel tussen: de Col du Télégraphe. Nou ja, klein. Na een lange dag en de Iseran nog een extra klim erbij is niet helemaal het plan, maar het voordeel is duidelijk: die hoef ik de volgende ochtend niet meer. Bovendien is het zo later op de dag een heerlijk rustige klim. Genieten dus. Moe maar voldaan plof ik neer op het terras van mijn overnachtingshotel, waar de plaatselijke bluesgiganten hartstochtelijk tussen de gangen van de moules-fritesavond door proberen te zingen. Ik houd niet van mosselen, dus besluit ik de plaatselijke pizzeria te bezoeken voor een houtovenpizza. Wel verdiend.

Dag 4. Galibier, Alpe d’Huez en daarna weer rust

De volgende ochtend na het ontbijt stap ik eigenlijk wel weer fris op de fiets. Valloire blijkt een uitstekend startpunt voor de beklimming van de Col du Galibier. Een naam die bij iedere wielrenner wel een belletje doet rinkelen. Ik ben er een dag voor de Touretappe en dat is te merken. Campers, vakantiegangers en wielrenners hebben alvast hun plek gevonden. Gezellig, maar niet te druk. De klim vanuit Valloire is mooi, goed te doen en onderweg heb je steeds een fraai uitzicht over het traject dat je al hebt afgelegd. Langzaam zie je wielrenners omhoog kruipen richting de top. Eenmaal op de top is de rust verdwenen. Het is druk met fietsers, motoren en auto’s die deze col van twee kanten beklimmen. Het is grappig om te zien dat iedereen op de foto wil met het colbord, maar dat je goed je moment moet kiezen om alleen op de foto te kunnen staan.

Ik kijk de gekte een kwartiertje aan en daal dan af naar de Col du Lautaret. Die krijg ik er gratis bij. De afdaling is prachtig en voert door een alpien landschap waar ik warm van word, met gletsjers en sneeuwresten. Na de Lautaret volgt een kilometerslange afdaling richting Bourg-d’Oisans voor de laatste beklimming van de dag. Onderweg zie ik de gletsjers bij La Grave boven het dal hangen.

De Alpe d’Huez. Daar is het echt gekkenhuis. Overal mensen, campers, verkeer en voorbereidingen voor de komende Touretappe. Natuurlijk hoort die drukte ergens ook bij de berg en ik rijd er zelf net zo goed rond, maar het is niet bepaald rustig fietsen. Een aantal Belgen bivakkeert in bocht 7 en spuit mij nat, een welkome verkoeling. Het is warm, druk en steil. Gewoon afzien. Ook al is het niet de mooiste klim, eens in je leven moet je deze gedaan hebben. De laatste kilometer fiets ik tussen de dranghekken omhoog. Hier zal morgen Pogačar wel in zijn eentje omhoog fietsen, bedenk ik mij. Boven in het dorp is het lang zoeken naar een colbordje. Dat is er niet echt. Op de finishlijn van de Tour staat een bord hoog op een paal, zonder stickers, dat dan weer wel. Het enige tastbare Alpenmonument is de wit-rood gestipte koe van de plaatselijke buurtsuper.

Vanaf Alpe d’Huez rijd ik richting de Pas de la Confession en ineens is het verschil enorm. De weg is afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Geen auto’s, nauwelijks andere fietsers en een mooie rustige weg met fraaie uitzichten. Nog één klimmetje naar mijn hotel in Oz-en-Oisans. Heerlijk rustig en een prachtige afsluiter van deze pittige dag.

Dag 5. Glandon en Madeleine

De laatste dag. Afdalen naar Allemond en beginnen aan wat achteraf de mooiste klim van de week blijkt: de Col du Glandon. Een mooie, maar behoorlijk onregelmatige klim. Soms loopt het lekker en denk je dat je een goed ritme hebt gevonden, om vervolgens weer tegen een steiler stuk aan te rijden. Links en rechts klateren watervalletjes langs je heen. Ik bewonder de fietsers die bijna halverwege vanaf de andere kant de dip van minimaal 14 procent naar het dal trotseren, maar dan bergop. Dit is een klim met weinig autoverkeer zo vroeg op de dag. Ik twijfel even of ik wel op de juiste beklimming zit. De beklimming van de Croix de Fer loopt namelijk nog enkele kilometers door. Achteraf heb ik spijt dat ik die niet even heb meegepakt.

Op de top is er gratis entertainment. De opstijgende lucht blijkt een walhalla voor parapenters te zijn. Een showpony weet dat het wielerpubliek met bewondering naar zijn capriolen kijkt. Even landen, weer opstijgen vlak voor een omhoogrijdende camper en natuurlijk nog een extra flyby. De afdaling van de Glandon is zeer rustig en mooi, hier en daar technisch. Eenmaal in het dal begint de laatste col voor de afstreeplijst van deze week: de Col de la Madeleine. Lang, mooi en veel rustiger dan de omgeving rond Alpe d’Huez. Een verademing om deze in de middag te beklimmen, hoewel de warmte inmiddels wel wat parten speelt. Gelukkig zijn er onderweg overal tappunten om bidons bij te vullen en polsen of hoofd onder te dompelen. Sporen van de Tour zijn in de laatste kilometers nog goed zichtbaar op het wegdek. Even voel je je Tourrenner zonder publiek.

Ik doe er bijna drie uur over. Eenmaal boven smaakt een alcoholvrij Baskisch wielerbiertje uitstekend. Ik merk dat de kilometers van de afgelopen dagen behoorlijk in de benen zitten en ben blij dat ik nu kan afdalen naar Albertville. Daar pak ik de trein richting het zuiden om in alle rust verder vakantie te vieren met mijn niet-fietsende familieleden. Ik beloof mezelf dat ik mij voorlopig even schik in hun vakantieritme en dat ik de fiets even laat staan… hoewel de kriebels voor een volgende etappe moeilijk te beteugelen zijn.

Vijf dagen fietsen door de Franse Alpen

Na vijf dagen heb ik een deel van mijn lijst ‘nog te beklimmen bergen’ afgevinkt. Wat is blijven hangen, zijn de uitzichten op de Mont Blanc, samen met fietsers uit alle windstreken ploeteren op de Roselend, de wind boven op de Iseran, de onverwachte extra klim naar de Télégraphe omdat de reservering van het hotel niet goed was gegaan en vooral ook die rustige wegen nadat ik een paar uur eerder nog tussen de drukte op Alpe d’Huez reed. Maar zeker ook de Col du Glandon, die mij aangenaam verraste.

Ondertussen heb ik tijdens die dagen alweer nieuwe cols op mijn lijstje gezet die ik links moest laten liggen of waar andere wielrenners onderweg enthousiast over vertelden. In vijf dagen deze route rijden is leuk, maar wat aan de ambitieuze kant. Veel mooier is het om langzaam door het gebied te trekken en meer te kunnen genieten van de prachtige omgeving.

Is het geschikt voor amateurfietsers? Zeker. Ik denk dat deze tocht goed te doen is, maar je moet er wel serieus voor trainen. Ook moet je voldoende klim- en daalervaring hebben om deze tocht met plezier te kunnen doen. De klimmen zijn, in tegenstelling tot bijvoorbeeld die in de Vogezen, een stuk pittiger en langer en je rijdt op hoogte. Ook dat heeft invloed op je tocht.

Kortom: voor een eerste fietsvakantie in de bergen is dit geen aanrader. Wel als je al meer ervaring hebt, weet dat je lange klimmen goed verteert en met een redelijk tempo omhoog kunt fietsen. Deze reis maakte onderdeel uit van een verkenning voor de tiendaagse rondreis door de Franse Alpen met acht fietsdagen. Deze volledig verzorgde Alpenreis met bagagevervoer is nu te boeken. Voor de meer ervaren amateurfietser.